De uitvoering van het Requiem voor Auschwitz in het theater in Heerlen was mede door de voordrachten door leerlingen van het Sintermeertencollege van de gedichten van Dick Gebuys een indrukwekkende gebeurtenis.

Verrassing tot slot

De componist Roger Moreno kreeg na afloop van het concert uit handen van burgemeester Reg van Loo een lintje uitgereikt. Hij werd benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

IMG-20180505-WA0003.jpg

Gedichten die werden voorgedragen

1: Barakken (Sarah Schreijen)
Mensen liggen door elkaar op een natte vloer. Een vrouw was daar met haar zoon. Haar kleine, driejarige jongen lag op de stapel doden, op zijn rug. Een kind met donker, ravenzwart haar en pikzwarte ogen. In een donkerblauw angoratruitje. Een prachtig kind geweest, al een paar dagen dood. Zij zit de hele dag voor de stapel doden. Ze konden haar daar niet weg krijgen.
Bron: Ceija Stojka: Wij leven in het verborgene; p. 52

2: Leegte (Micky Lammers)
Eva, het meisje dat zo prachtig over sterren en harmonie kon praten, het meisje dat steeds maar weer zei, dat het nog altijd niet zó slecht was, ook zij werd doodgeschoten. De leegte wordt alsmaar groter, steeds meer mensen verdwijnen. Ik dacht dat wij de laatsten zouden zijn, dat wij in een wereld zouden terugkeren, dat die voor de verschrikkelijke atmosfeer die ons wurgt, ons bespaard gebleven zou zijn. Dat alleen wij in de diepte afgedaald zouden zijn. Maar het is die andere wereld, waaruit de mensen weggegaan zijn, weggerukt uit het midden van het leven, van de oorlog, van de liefde. Wij zijn even gevoelloos geworden als bomen en stenen. En we zwijgen, als omgevallen bomen, als kapotgehakte stenen.
Bron: Tadeusz Borowski: Bei uns in Auschwitz; p.180

3: Hoop (Denise Driessen)
Dacht je, dat we het ook maar een dag langer in het kamp zouden kunnen volhouden, wanneer de hoop er niet was, dat er ooit een nieuwe wereld zal komen, en dat de mensenrechten dan weer terug zullen keren bij de mensen? De hoop beveelt de mensen, met een zekere onverschilligheid de gaskamer in te stappen. De hoop is het die hen ervan weerhoudt, de boel op stelten te zetten. Hoop stompt hen af, maakt hen dood. Hoop beveelt de moeders afstand te nemen van hun kinderen, zich voor een stuk brood te verkopen. Hoop beveelt de mannen mensen te doden. De hoop drijft hen ertoe, om iedere volgende dag voor het leven te vechten, omdat het net de komende dag kan zijn, die de vrijheid brengt. Misschien gaat het niet eens om de hoop op een nieuwe en betere wereld, maar slechts om het verlangen naar een leven waarin er weer rust en vrede zal zijn. Nog nooit was de hoop sterker dan de mens, maar nog nooit ook heeft ze zoveel kwaads tevoorschijn getoverd als nu,in deze oorlog, als hier, in dit kamp. Men heeft ons niet geleerd om de hoop op te geven. Zodoende sterven we in het gas.
Bron: Tadeusz Borowski: Bei uns in Auschwitz; p. 161

4: Moszje (Maarten Bos)
Zijn vader vloog hem om de hals, omhelsde hem, vroeg hem wanhopig wat er nu verder zou gaan gebeuren, vertelde hem met gebarsten stem dat hij honger had want al twee dagen niets meer te eten gekregen. Toen begon de bevelvoerende commandant tegen hem te brullen. Hij moest niet zomaar wat staan drentelen, er moest gewerkt worden. Wat moest hij toen doen? “Ga vader, ga douchen, daarna zullen we praten,” zei hij. “Je ziet toch dat ik nu geen tijd heb?!” En zijn vader ging, de kamer binnen, de gaskamer. Hij had zijn vader in de schoorsteen gestuurd, en nu zat hij hier met foto’s van thuis in zijn handen.
Bron: Tadeusz Borowski: Bei uns in Auschwitz; p.168

5: Bezoeker in het kamp (Nina Wijzenbeek, Daisy Quadackers)
Ze ging naar Auschwitz, omdat ze het gevoel had, dat ze daarheen moest gaan. Omdat ze op zoek was naar een verleden, waar ze zoveel over gehoord had, waarvan ze foto’s had gezien, kleine herinneringen had aangeraakt, maar dat ze toch niet echt kon kennen.
Ze ging naar Auschwitz, om wat ze niet wou voelen, toch te voelen, zich in te beelden met alle pijn die het haar kostte, wat daar echt gebeurd was, stil te staan op die plekken, waar mensen niet hadden mogen stilstaan, met de hand te rijken, naar wie zij niet meer aan kon raken.
Ze ging naar Auschwitz terug, omdat ze vond dat haar grootouders dat verdiend hadden, dat haar familieleden die ze nooit echt had gezien, daar recht op hadden. Dat ze zo in de ketting kwam te staan, van de levenden en de doden.
Ze ging naar Auschwitz terug, omdat ze vond dat de mensen die ze meenam dat nodig hadden, omdat ze wist, dat pas op die manier, mensen in haar eigen land, elkaar echt zouden kunnen begrijpen. Dat die zo in de ketting kwamen te staan, van hun eigen geschiedenis.